Preek Dankdag en vreemdelingen

5 november 2015

Preek Dankdag en vreemdelingen

B 27 33 foto4 november 2015 hielden we Dankdag voor gewas en arbeid. Er werden twee diensten gehouden. ’s Middags was er een kinderdienst ’s avonds een dienst waarin we met de rest van de gemeente God dankten. Het thema van de beide diensten was ‘Dankdag en vreemdelingen’ naar aanleiding van Leviticus 23:22 en Deuteronomium 16:13-14.

In de preek aandacht voor de vreemdeling op het oogstland en op het loofhuttenfeest, voor de angst voor vreemdelingen, vertrouwen op God en een gastvrij hart. De tekst van de preek luidde:

Dankdag 2015. We danken vandaag voor wat onze grond ons heeft geschonken. Niet dat we allemaal boeren zijn, maar uiteindelijk leven we allemaal van wat de grond ons geeft. Dankdag 2015. Een echt vluchtelingenjaar.

Hoe passen die twee bij elkaar: danken voor oogst en eten en vluchtelingen zien binnenkomen? Je zou kunnen zeggen: we hebben veel gekregen om voor te danken; laten we berooide vluchtelingen royaal laten delen in onze overvloed. Je kunt ook de angst voelen: we hebben nu veel om te danken, maar hoe gaat het als de vluchtelingen hier blijven binnenstromen. Er kriebelt iets van angst, echt niet alleen bij prominente vreemdelingenhaters als Geert Wilders. Hoe passen de dankdag en die vreemdelingen bij elkaar? Wat leert de bijbel ons? Ik wil u hierover vanavond Gods woord bedienen. Ik heb er al een paar maanden over nagedacht, eind september met de muziekcommissie van De Bazuin wat liederen uitgezocht en twee zinnen uit die liederen verwoorden wat ik u vanavond verkondig: (1) ‘Here God, wij zijn vervreemden’ en (2) ‘Vol zijn van uw liefde Heer’.

  1. Wíj zijn vervreemden

Dankdag en vreemdelingen. In de bijbel lijken ze wel bij elkaar te horen. Nee de bijbel kent een dankdag zoals wij. Maar wel oogsten en een oogstfeest: het Loofhuttenfeest. De bijbel heeft het niet zo heel vaak over oogsten en over dat feest, maar in de drie stukjes die we er over gelezen hebben is de vreemdeling er ook steeds bij. Als de oogst van het land gehaald werd dan was het een drukke tijd op de boerderij. Je ziet de hele familie op het land bezig, met personeel, iedereen die maar mee kan helpen. Je ziet daar ook vreemdelingen lopen. Ze lopen een eindje bij de boer en zijn personeel vandaan. Langs de rand waar nog wat graan is blijven staan. Ja, dat móést zelfs speciaal blijven staan, want God wilde naast de boerenfamilie ook de vreemdelingen -die geen eigen land hadden en vaak niet veel geld- op het land zien.

Ja, God gaat nog een stap verder. Als de oogst klaar is wordt er feest gevierd. Een week lang woont de hele familie in hutten van takken en bladeren: loofhutten. Een ook dan zie je de vreemdeling er bij, nu zelfs tussen de familieleden en het personeel en de anderen die er bij zijn.

Dit is toch opmerkelijk. Daar moet God wel een boodschap mee hebben. Wat zou de boodschap voor die Israëlieten zijn die God op het oogstland en aan de feesttafel de aanwezigheid van vreemdelingen wil laten ervaren? Als ik nalees wat er in de wetten over vreemdelingen staat, dan is de boodschap: jullie zijn zelf vreemdelingen. Jullie waren vreemdelingen in Egypte, onthou dat! Jullie zijn mijn vreemdelingen – zoals je daar ook in het nieuwe testament over leest. Juist bij het loofhuttenfeest past het besef dat Gods mensen vreemdelingen onderweg zijn. Die hutten die aan de reis door de woestijn herinneren. Rondtrekken zonder stenen huis, zonder vaste plaats, afhankelijk van God onderweg naar de toekomst. Ook toen Israël stenen huizen had moest het één week in het jaar in een loofhut wonen. Met een vreemdeling aan tafel. Want je blijft vreemdeling, afhankelijk van God, op weg naar zijn toekomst.

Ergens anders in de wet van Mozes (Leviticus 25:23) staat dat Israël de grond niet mag verhandelen ‘want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn’. Je voelt: daar zitten twee kanten aan. Aan de ene kant: het land waar je leeft en werkt is niet van jou. Je mag er wonen, je koeien laten lopen, je mag er oogsten, je bedrijven bouwen, maar het wordt nooit van jou. Je bent Gods gast. De andere kant is: als gast van God mag je vertrouwen dat hij voor je zorgt. Je bent bezig op het stukje aarde dat God jou heeft toevertrouwd, in het werk dat je er doet, maar uiteindelijk ben je afhankelijk van de zorg van God. Zoals de vreemdeling op je land en aan je tafel van jouw zorg afhankelijk is.

In het nieuwe testament zie je dat nog sterker terugkomen. Als christen ben je vreemdeling in deze wereld. Onze stad is niet blijvend, wij kijken juist met verlangen uit naar de stad die komt (Hebreeën 13:14). Vreemdeling zijn: het is anders zijn dan de anderen, het is leven in het besef dat je het niet moet hebben van het geluk in het leven hier. Het is ook vertrouwen op een gastvrije God. Van hem is de wereld. Hij gunt je er een plaats. Op hem mag je ook vertrouwen.

Dat betekent niet dat er door de komst van vreemdelingen geen problemen kunnen ontstaan. Je bent misschien bang voor criminaliteit of je hebt er gewoon een onbehagelijk gevoel bij. In ieder geval betekent het dat je je welvaart met meer mensen moet delen. En zeker in een tijd waarin de economie kwetsbaar is, waarin je baan op de tocht staat en je moeilijk een nieuwe baan kunt krijgen kan de vreemdeling als een bedreiging aanvoelen.

Er is in Nederland iets gaande om die angst te voeden. En hoe je ook tegen de opvang van vluchtelingen aan kijkt, hoe het aangepakt moet worden, hoeveel en waar en nog veel meer vragen… Eén ding staat wel vast: het is niet goed om met elkaar die angst te gaan versterken. Die kant wil onze God ons niet op hebben. Hij liet de vreemdelingen juist zichtbaar op het oogstland rondlopen en aan de feesttafel zitten. Elkaar in de ogen kijken. En leven in het vertrouwen dat er voor jou al vreemdeling en voor de andere vreemdelingen een plek is onder Gods vreemdelingenzorg.

Zo zijn we dankbaar voor alles wat er op het land gegroeid is. Je hebt er aan gewerkt, hard aan gewerkt, maar God was het die je dat stuk land beschikbaar stelde, die voor de zon en de beregening zorgde en die het gewas liet groeien. God zorgde voor eten voor je beesten, en dat ze gezond waren en jongen kregen. We danken God voor graan en mais, voor druiven en aardbeien, voor koeien en varkens, voor al het werk dat je kon doen en voor het eten op je bord.

Op hem mag je vertrouwen zonder angst voor de toekomst. Met God kan de vreemdeling met vertrouwen verder. En ook de inwoner die in zijn land de vreemdelingen ziet binnenkomen. Ja, we moeten ons vertrouwen voor de toekomst op hem stellen.  Niet op een Nederland zonder vluchtelingen. Dat gaat niet lukken, dat kun je gewoon heel nuchter constateren. Maar dat hoeft ook helemaal niet. Met God kunnen we de toekomst tegemoet, wij die allemaal vreemdelingen zijn in zijn wereld. Wie verwacht gelukkig te zijn en te blijven door de vluchtelingen buiten de deur te houden die bouwt op een illusie. Dat gaat niet gebeuren.  Maar hoe meer we ons er van bewust zijn vreemdeling te zijn onder Gods vreemdelingenzorg, des te meer zullen we in staat zijn zonder angst te aanvaarden dat de komst van vluchtelingen misschien wel veranderingen brengt in Nederland.

  1. Vol van uw liefde

Daarbij doet de Heer Jezus –en dat is het andere punt-  een beroep op ons om onze naaste lief te hebben als onszelf. Ook dat zat er natuurlijk achter dat die vreemdeling in het joodse land rond mocht lopen op het oogstland en mee mocht feesten in de loofhut. Je naaste liefhebben als jezelf. Ook je naaste die hier als vreemdeling binnenkomt. Dat vraagt een groot hart voor anderen. Het vraagt van ons geld, zoals straks in de collecte. Soms worden er van ons kleren of andere dingen gevraagd, met een inzameling. Inzet van vrijwilligers ook. Het vraagt dat we van alles wat God ons gegeven heeft en waar we hem op deze dankdag voor danken royaal delen met de ander. Maar het vraagt vooral een gastvrij hart.

En God, die ons een inkomen of een uitkering heeft toevertrouwd om daarvan te leven én te delen met anderen, hij is het ook van wie je kunt leren een gastvrij hart te krijgen. We zongen ‘laat mij vol zijn van uw liefde, Heer’. Gods liefde, Gods gastvrijheid.

Laten we naar Gods hart kijken. Hij zegt niet: voor jou is er geen plek bij mij. Mijn hart is vol. En jij, jij bent zo slecht… Laten we eens even goed kijken hoe je aan die centen gekomen bent… Dat ging niet allemaal eerlijk hé? Een beetje zwart, een beetje geknoeid met uren en cijfers. En wat je beloofde… dat heb je lang niet altijd waargemaakt. En hoe ging je met collega’s en klanten om? En als ik kijk hoe je je geld nu besteedt, hoeveel je voor jezelf over hebt, voor dingen die je echt niet nodig hebt, en hoe weinig voor de ander… God zou heel goed kunnen zeggen: jij bent een vreemdeling voor mij. Mijn hart is vol, voor jou is er geen plek. God, hij zegt dát nou net niet. Nee, als je met al je fouten en gebreken naar Jezus toe gaat, dan is er plek voor je in Gods hart. En dat zeg ik nou in één zin. Maar dat is iets waar God alles voor over gehad heeft. Hij heeft zijn eigen Zoon er voor laten sterven aan een kruis. Het heeft hem het allerduurste gekost. Dat is zijn gastvrijheid.

Mag het ons dan ook wat kosten? Geld in de collecte straks. Vrijwilligerswerk misschien. Maar vooral: een gastvrij hart.

Amen.

De avonddienst werd muzikaal opgeluisterd door De Bazuin. Zij verzorgden de begeleiding van de samenzang en speelden tijdens de collecte (voor o.a. noodhulp aan vluchtelingen) To my country van de Nederlandse componist Bernard Zweers. De liturgie was:

B 27 33 liturgie avonddienst

Geplaatst door met 0 reacties in Preken

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *