Alle berichten in Van de predikant

28 maart 2017

Over water lopen?

Vanmorgen las ik Matteüs 14:24-33, over Jezus die over het water liep en Petrus die het ook probeerde. Een merkwaardige gebeurtenis. Wat heeft dit mij te zeggen? Ik heb niet de minste behoefte om over water te lopen en ik ken ook niemand die dat wel heeft.

Of… ja, ik ken Jezus die over het water liep. Ik neem op dit moment de tijd om mij op hem te richten. Hij had wel de behoefte om over het water te lopen. Hij had op allerlei manieren bij zijn leerlingen kunnen komen, maar hij deed het op deze opvallende manier. Hij wilde gezien worden.

Misschien is dat we de belangrijkste les voor mij. Jezus, mijn Redder, wil gezien worden. Juist als je onzeker bent, als de spanning hoog zit, geeft dat rust en vertrouwen. Niet ‘Het kom wel goed’ of ‘Het is nog altijd goed gekomen’ Maar Jezus zien, zijn macht, zijn liefde, ook voor de kleingelovige die bijna verdrinkt.

Zo begin ik aan deze dag waarop er weer van alles op mij afkomt. Waarin ik met mensen bezig ben, met onderwerpen… Jezus zien.

 

Morgen Matteüs 15:1-9

27 maart 2017

Jezus volgen, ook in zijn gebed

Gemeente zijn, het is soms een onmogelijke taak. Je loopt soms tegen teleurstellingen op, je vraagt je af hoe het ooit goed moet komen. Je verlangt naar groei in verbondenheid met Christus en met elkaar, maar wat komt er van terecht? Als predikant met een dagtaak in de gemeente kan ik meepraten over zulke zorgen en teleurstellingen. Het bijbelgedeelte van vanmorgen bemoedigt mij dan: Matteüs 14:22-23.

Jezus trekt zich terug om te bidden. Na de enerverende dag die uitliep op een maaltijd met vele duizenden nu een moment om in stilte met God alleen te zijn. Je leest vaker dat Jezus dit deed. Bijvoorbeeld toen hij zijn eerste leerlingen aanstelde en een begin maakte met een nieuwe gemeenschap. Of in een andere nacht kort voor zijn arrestatie. Jezus kan grote dingen doen door de kracht van het gebed.

Zo mag ik mijn zorgen en teleurstellingen over de gemeente bij God neerleggen. En ik weet dat ik daarin niet alleen ben. Jezus bidt met mij mee, nog steeds. Ik denk aan het laatste gebed dat ik van hem ken, het gebed uit Johannes 17. Het is een gebed voor de gemeente. Het geeft mij het vertrouwen dat hij met mij mee bidt als ik mijn vragen en zorgen voor de gemeente bij hem neerleg.

 

Morgen lezen we wat er nog meer in die nacht gebeurde: Matteüs 14:24-33

26 maart 2017

Wees blij

Midden in de veertigdagentijd een moment om blij te zijn. De zondag draagt de naam ‘Laetare’, in het Nederlands ‘Wees blij’. Er wordt vaak gezongen uit Psalm 122 en gelezen over het broodwonder. We lezen dit verhaal uit Matteüs 14:15-21. Een verhaal om van te genieten. Duizenden mensen waren naar Jezus toegekomen. Als je alleen de mannen telde kwam je al op zo’n vijfduizend. Meestal lees je die aantallen niet, maar het geeft een indruk van de enorme aantrekkingskracht die Jezus had.

Een heerlijk moment tussen de pijn van de afwijzing, de dreiging van Herodes, en het medelijden met de vele zieken. Midden tussen dit alles creëert Jezus een wonder van verbinding. Iedereen gaat zitten in het gras en beleeft de verbondenheid van de maaltijd. Samen eten verbindt mensen aan elkaar. Het lokt gesprekken uit over alle kanten van het leven, van de meest alledaagse tot de allerdiepste dingen.

Dit is waar Jezus, op weg naar Jeruzalem, op uit is. Reken maar dat hij er van geniet vandaag overal gemeenten te zien samenkomen. Geniet met hem mee!

 

Morgen lezen we het vervolg, Matteüs 14:22-23

25 maart 2017

De pijn van gebroken bloedbanden

Ik weet niet wat is als je door je familie afgewezen wordt. Maar ik ben gevoelig genoeg om aan te voelen dat het veel pijn doet. Misschien weet je het uit eigen ervaring. Over deze dingen zit ik na te denken bij het lezen van Matteüs 13:53-58.

Bloedbanden zijn iets wonderlijks. Ik zie duizenden mensen om mij heen waar ik geen band mee voel. Ik heb ook geen behoefte om een band met al die mensen te hebben. Ze zijn druk met dingen die mij niet interesseren (en omgekeerd), ze hebben en smaak en een kennissenkring waarbij ik mij niet thuis voel. Maar als zo iemand mijn broer zou zijn zou ik me toch met hem verbonden voelen. Bloedbanden hebben meer kracht dan bijna alles wat mensen uit elkaar houdt. Het doet dan ook veel pijn als zulke banden breken.

Dit is wat Jezus meemaakt in Nazaret. Hij wordt niet alleen afgewezen door wetgeleerden die in Jeruzalem wonen en door mensen uit allerlei steden en dorpen die een keer naar hem komen luisteren. In Nazaret wordt hij afgewezen door de mensen waartussen hij is opgegroeid, door zijn eigen familie.

Een pijnlijk stuk van Jezus’ lijdensweg: afgewezen worden, eenzaamheid. Een pijn die op weg naar het kruis toe steeds dieper gaat.

Ik denk er nog wat langer over na: het is de eenzaamheid, de afwijzing die ik verdien. Jezus wilde die in mijn plaats dragen. Hij geeft mij nu een plaats in zijn gemeente.

 

Morgen een heel ander beeld: een maaltijd met duizenden (Matteüs 14:15-21)

24 maart 2017

In deze wereld heeft Hij mij geplaatst

Ik heb deze overdenking gisteren al geschreven. Op het moment dat ik normaal geknield voor mijn bijbel zit en over de tekst mediteer zit ik vandaag in de auto op weg naar een synodevergadering over de Gereformeerde Theologische Universiteit.

Het bijbelgedeelte (Matteüs 13:24-30) zet me aan het denken over de kwetsbare situatie van de kerk in de wereld. Graan en onkruid groeien samen op tot de oogsttijd. Een wereld vol geloof en vooral veel ongeloof, dat is waar Christus ons onze plaats geeft.

Het vraagt van mij dat ik de wereld ken en betrokken ben op die wereld. En meer nog: Christus kennen. Als ik mijn ogen sluit en mij op hem richt, dan besef ik dat hij mij ziet midden in de wereld waarin hij mij geplaatst heeft. Hij gunt mij veel moois wat deze wereld te bieden heeft. Hij geeft mij ook bewogenheid met deze wereld, met de nood van de mensen en de schepping. Hij geeft mij kracht om door de verleidingen van de wereld heen mijn weg met hem te gaan.

Hierdoor gemotiveerd ga ik vandaag in Elspeet in gesprek over de opleiding van een nieuwe generatie theologen. We maken plannen in vertrouwen op de Heer die ons in deze setting plaatst. En u, jij die dit leest hebt vandaag vast een heel ander gesprek. Maar ook u, ook jou vertrouw ik toe aan Jezus, hij kent je wereld en heeft alles in zijn macht.

 

Morgen het laatste stuk van Matteüs 13, vers 53-58

23 maart 2017

Ruimte maken tussen de distels

Een bekend verhaal vanmorgen, de gelijkenis van het zaad in de akker (Matteüs 13:1-8). In iedere zin verwoordt Jezus iets van zijn lijden. Mensen die zijn woorden niet opnemen, ze niet toelaten in hun hart. Jezus maakte ze volop mee. Mensen die wel even enthousiast zijn maar alleen oppervlakkig. Het schiet geen wortel. En dan die mensen de zijn woorden laten verstikken tussen de distels, de zorgen om het dagelijkse bestaan en de verleidingen van een rijk leven. Daar aan de rand van het meer leed Jezus er onder.

Nu Jezus in de hemel is, is het nog steeds een strijd om tussen de distels van ons dagelijks werk en onze dagelijkse zorgen ruimte voor Hem te hebben in je leven.

Juist de veertigdagentijd is een mooie tijd om hier aandacht aan te besteden. Ruimte maken tussen de distels om je aandacht echt op hem te richten. Niet eventjes, maar langer en geconcentreerd. Voor mij is het een tijd om daarvan dagelijks te genieten. Juist dat genieten is een mooie aanleiding om mij voor te nemen het ook na deze veertig dagen te blijven doen.

 

Morgen nog een gelijkenis: Matteüs 13:24-30

22 maart 2017

Hier geniet de Vader van

Ik begon de dag met Matteüs 12:46-50. Jezus wijst op de mensen om hem heen en zegt: ‘Zij zijn mijn moeder en mijn broers. Want wie de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en zuster en moeder.’

Terwijl ik het lees en bid besef ik dat ik ook bij die kring hoor waar Jezus zijn hand naar uitstrekt. Hij wijst ook mij aan.

Al vanaf het begin van de christelijke gemeente hebben Jezus’ volgelingen elkaar als broers en zussen beschouwd. Toch aarzel ik ook even. Iemand heeft mij er eens op gewezen dat je niet zomaar iedereen broeder of zuster kunt noemen. Jezus zegt immers dat je dat bent als je de wil van de Vader doet. Dit is bij mij altijd blijven hangen. Wie heeft dan nog het recht broer of zus van Jezus te zijn.

Vanmorgen dringt het tot mij door dat ik zo niet moet denken. Jezus wees naar de mensen die naar hem toe gekomen waren en met hem in gesprek waren. Over deze mensen zegt hij dat ze zijn broers en zussen zijn omdat ze de wil van zijn Vader doen. Met ‘de wil van de Vader doen’ bedoelt Jezus niet dat je alle geboden van God perfect naleeft. Hij bedoelt dat ze Gods wil doen dat ze samenkomen om naar Jezus te luisteren. Dát is wat de Vader wil.

In het evangelie hoor je de stem van God de Vader maar een enkele keer. Meestal is het zijn Zoon Jezus die óver hem spreekt. Twee keer horen we Vaders stem vanuit de hemel zeggen dat hij van zijn Zoon houdt en van hem geniet. In het verhaal van vanmorgen vertelt Jezus waar de Vader van geniet: dat mensen rond Jezus samen komen.

Zo weet ook ik mij door Jezus aangewezen: ‘Kijk, mijn broer, mijn zus’. En de Vader geniet.

 

Morgen weer een ander gesprek. Wat afstandelijk: Jezus spreekt vanuit een bootje tegen mensen op de oever, Matteüs 13:1-8

21 maart 2017

Waarom ik niet twijfel…

Hoe is het toch mogelijk dat miljoenen mensen geloven in een God die je niet kunt zien? Hoe kun je daar zeker van zijn? Terwijl ik kniel en mijn gedachten op Jezus probeer te richten kost het mij moeite. En toch ben ik zeker van hem. Matteüs 12:38-41 is voor mij een belangrijk stuk van het antwoord.

In een heftig gesprek geeft Jezus aan dat hij verwacht dat je hem erkent en aanvaardt als Redder. Je kunt niet neutraal blijven. Maar hoe kun je zeker van hem zijn?

Jona is het antwoord. Toen Jona na drie dagen in de ingewanden van een vis levend in Ninevé liep te preken kon niemand er om heen. Zo is het ook bij Jezus. Je kunt bij de verhalen van Jezus allerlei vragen houden. Maar als hij na drie dagen opstaat uit het graf dan is voor mij de twijfel voorbij of hij God is en of hij mijn Redder is.

Maar is het dan zo zeker dat Jezus uit de dood is opgestaan? Hebben zijn leerlingen het niet verzonnen? Uit hun verhalen blijkt dat zij het zelf niet konden geloven, maar er uiteindelijk niet omheen konden. Hun verhaal is volstrekt geloofwaardig: Jezus is echt opgestaan.

Ik richt mij op hem en bid om geloof. Voor mijzelf en voor jou.

 

Morgen komen we in een ander gesprek terecht: Matteüs 12:46-50

20 maart 2017

Ontmoeting op schatkamerniveau

Wat zit er in mijn schatkamer? Heb ik belangstelling voor de schatkamer van mijn mede-christen? En hoe breng ik het gesprek daarop? Deze vragen houden mij bezig nadat ik vanmorgen Matteüs 12:31-37 gelezen heb.

We lezen deze week twee hoofdstukken vol confrontatie tussen Jezus en zijn tegenstanders. We hebben de afgelopen wegen Jezus’ weg gevolgd van Betlehem waar hij geboren werd tot vlak bij Jeruzalem waar hij heen gaat om te sterven. Deze week zoomen we in op Matteüs 12 en 13 waarin sprake is van harde confrontaties. Na een demon-uitdrijving ontmoet Jezus geloof maar ook ongeloof. Hij wordt zelfs voor duivel uitgemaakt. Jezus reageert met een felle toespraak. In het gedeelte van vanmorgen komt hij bij de binnenkant van de mens die hem aanvaardt en die hem afwijst. Hij noemt het een schatkamer (vers 35). Als die schatkamer vol moois is, dan komt dat ook naar buiten. Maar als die vol rottigheid is komt dat er ook uit. Jezus kijkt dieper dan wij geneigd zijn te doen. Dieper ook dan wij kunnen. We kunnen elkaar niet in het hart kijken. Tenzij we het elkaar gunnen.

In de gemeente, de kring van mensen rond Jezus, ontmoet ik allemaal mensen die iets moois in hun schatkamer hebben: de innerlijke aanvaarding van Jezus. Kunnen wij elkaar om dat niveau ontmoeten? Wat zeggen we dan tegen elkaar en wat vragen we aan elkaar?

 

Morgen lezen we verder: Matteüs 12:38-41

19 maart 2017

Kiezen en formeren

Wat moet je met zo’n uitspraak?

Wat moet je hier nu mee: ‘Wie niet voor mij is, is tegen mij en wie niet met mij samenbrengt drijft uiteen’ Ja we hebben de afgelopen tijd wel stevige uitspraken gehoord. Lijsttrekkers van partijen die elkaar uitsluiten. Het is of jullie of wij maar niet allebei. Stevige uitspraken hebben we ook van de Turkse en Nederlandse regering gehoord, over en weer.

Maar vanmorgen zijn we in de kerk. Hier horen we woorden van Jezus. En wat moet je daar dan mee: ‘Wie niet voor mij is, is tegen mij’? Verwacht Jezus van ons een houding van: ‘Jij gelooft niet dus met jou wil ik niks te maken hebben? Een kerk die met de rug naar de wereld toe staat, vijandig.

Wie niet voor mij is is tegen mij… Wat betekent dat als je wel bij Jezus wilt horen, maar je hebt nog je vragen. Je bent er nog niet helemaal toe aan alles wat christenen doen en wat ze overal van vinden. Of je hebt een dip in je geloof. Is het dan: het is alles of niks en als je er niet helemaal voor gaat dan hoor jij er niet bij?

Ik denk ook aan discussie over winkels open op zondag, hoor je er bij Jezus alleen bij als je er fel en consequent tegen bent? Als je altijd de strengste standpunten inneemt over zwartwerken en gereformeerd onderwijs?

Als we even teruggaan naar het gesprek waarin Jezus deze woorden zegt, dan kun je je wel iets meer van zijn felheid voorstellen. Jezus heeft een demon uitgedreven. Is het u ook niet opgevallen de afgelopen zondagen dat de duivel en zijn demonen flink actief waren in de tijd dat Jezus op aarde was? Jezus heeft weer laten merken dat hij macht heeft zulke boze geesten te verjagen. En de mensen beginnen te geloven dat hij de Messias is, de Zoon van David. Maar anderen zeggen onder elkaar: Hij doet dat door Beëlzebul, de duivel. Zo kunnen ze op hun manier volhouden dat ze niet voor Jezus hoeven te zijn. Door hem voor duivel uit te maken. Ik ben nooit voor duivel uitgemaakt, maar je kunt je natuurlijk wel voorstellen dat je dan fel reageert. Dat vuur zit duidelijk in Jezus’ ‘Wie niet voor mij is, is tegen mij’. Maar dat wil niet zeggen dat Jezus dan dingen zegt waar hij niet achter staat. Nee, als er iemand is die altijd staat voor wat hij zegt, dan is het Jezus wel. En wat moeten wij nou met zijn felle uitspraak?

Wat je met zo’n stevige uitspraak moet… In de afgelopen weken hebben we in Nederland daarmee kunnen oefenen. Gewoon de vraag stellen: wat bedoelt hij nu eigenlijk. Woorden kunnen stevig zijn, maar wat wordt er nu echt gezegd. Toegepast op Jezus’ woorden: Wat betekent ‘voor Jezus zijn’? Daarover gaat het in het eerste stuk van de preek, zeg maar over kiezen. Dan wil ik even iets zeggen over een andere tekst die precies het tegenovergestelde lijkt te zeggen. En het derde deel van de preek gaat over dat samenbrengen, wat is daarmee bedoeld. Ik noem het maar even formeren. Kiezen voor Jezus en formeren met Jezus.

1. Kiezen voor Jezus

Wie niet voor mij is… Misschien denk je daarbij aan dingen doen voor Jezus, consequent zijn, standpunten innemen, dingen die veel van je vragen. Dan kan het je beangstigen als Jezus daar zo fel op is. Ben ik er dan wel bij, bij Jezus? Maar Jezus heeft het niet over dingen voor hem doen of zo, maar over ‘voor hem zíjn’. Ben je voor hem of tegen hem? Niet wat jíj doet, maar hoe tegenover hém staat. Erken je hem als Zoon van God die uit de hemel gekomen is om je te redden? Aanvaard je hem als je Redder? Dat is waar het in dat gesprek over ging. Jezus verweet zijn tegenstanders niet dat ze de rustdag niet strikt onderhielden. Dat deden ze op het krampachtige af. Het ging er om dat ze hem niet erkenden. Terwijl de meeste omstanders zeiden: ‘Zou hij de Zoon van David niet zijn?’ probeerden anderen onder die erkenning uit te komen. Dat uitdrijven van demonen dat zou ook wel eens van de duivel kunnen komen. Jezus erkennen en aanvaarden, daar gaat het over, dat is het ‘voor hem zijn’.

Je redding is niet dat je de rustdag of de huwelijkstrouw en al die andere geboden van God zo stipt onderhoudt. Als dat zo was, dan zou het er voor ons allemaal hopeloos zijn. Mijn redding is dat Jezus de straf voor mijn zonde gedragen heeft. Hij kwam uit de hemel om zijn leven te geven als losgeld voor velen. En nou is zijn vraag…. niet dat je hem iets terugbetaalt, maar dat je hem erkent en aanvaardt. Dat je vóór hem bent. Je kunt het niet in het midden laten, zo van: het zou kunnen zijn dat hij mijn Redder wil zijn, maar het kan ook wel zijn dat ik mijn redding zelf moet verdienen of dat God helemaal niet bestaat. Dat lijkt neutraal, maar in werkelijkheid kies je tegen: tegen het erkennen en aanvaarden van Jezus als je verlosser. En dan is er geen redding. Zo heftig is het wel.

Hoe kan Jezus zo hard zijn? Als je mij niet erkent en aanvaardt, dan ben je voor eeuwig verloren? Het viel mij op dat Elly en Rikkert Zuiderveld deze heftige uitspraak van Jezus in een kinderliedje zingen. Laten we er eens even naar luisteren. Dit liedje begint er mee hoe groot Jezus is: Hij is de almachtige, de waarachtige, hij is alles in allen! Als je door hebt wie hij is en wat hij voor je betekent, dan kun je toch niet anders dan vóór hem zijn. En nog wat. Als je door hebt hoeveel hij voor je over gehad heeft, als je ziet hoe die felle confrontatie met zijn tegenstanders uitliep op zijn dood aan een kruis, dan mag hij toch we van je verlangen… niet dat je hem iets terugbetaalt, maar wel dat je hem aanvaardt, dat je niet neutraal blijft. Kiezen dus.

Het kan niet anders of daarvan wordt ook iets zichtbaar in je doen en laten. Hoe je omgaat met huwelijkstrouw, eerlijkheid, met je geld. En het is prachtig om dat te zien gebeuren, maar dat is niet waar het hier om gaat. Jezus, die gekomen is om je te redden door zijn dood, hij vraagt erkenning en aanvaarding. Kiezen.

Intermezzo: Strijdig met Marcus 9:40?

Voordat we van het kiezen overgaan naar het formeren even een uitstapje. Wij horen Jezus vanmorgen zeggen: Wie niet voor mij is, is tegen mij. Maar kijk eens wat hij volgens Marcus 9:40 zegt: Wie niet tegen ons is, is voor ons. Dat is wat relaxter hè, je bent misschien wel niet voor ons, maar als je niet tegen bent, dan hoor je er eigenlijk toch wel bij. Hoe kan het dat Jezus deze dingen allebei zegt? Dat is toch tegenstrijdig?

Toch… als je even goed naar het scherm kijkt zie je direct al een verschil. In de eerste tekst staat steeds ‘mij’ en in de tweede ‘ons’. In de eerste is het dus: ben je voor of tegen Jezus, in de tweede: ben je voor of tegen de kring van de discipelen, de kerk. In het tweede geval gaat het dus over iemand die in Jezus’ naam demonen uitdrijft, hij is dus vóór Jezus, maar hij sluit zich niet aan bij de leerlingen. De discipelen zijn daar niet gelukkig mee, ze willen het zelfs verhinderen. En dàn zegt Jezus: wie niet tegen ons, onze kring is, is voor ons. Hij is vóór Jezus en hij doet dan wel niet mee in de discipelkring, maar hij hoort er in feite wel bij. Dàn kun je zeggen wie niet tegen ons is is voor ons. Wat je over Jezus niet kunt zeggen kun je over de kring van zijn volgelingen wel zeggen. Over Jezus geldt dat je niet bij hem kunt horen als je niet echt voor hem kiest. Maar voor de discipelkring kan het bestaan dat iemand die er niet bij hoort er op een bepaalde manier toch wel bij hoort. Vertaal het even naar vandaag toe: iemand is geen lid of nog geen lid van de kerk, maar hij gelooft wel in Jezus.  Dan zou je kunnen zeggen dat hij er op een bepaalde manier toch wel bij hoort.

2. Formeren met Jezus

Dat brengt me bij het tweede deel van Jezus’ uitspraak. ‘Wie niet met mij bijéénbrengt, die verstróóit’. Dat is in het tweede stuk de tegenstelling, bijeenbrengen of verstrooien. Het eerste ging over het kiezen voor Jezus, het tweede over het formeren met Jezus. Voor Jezus kiezen is één ding. Jezus wil ook dat de mensen die bij hem horen bijeengebracht worden. Bij Jezus hoort een kerk. Jezus is niet los van de kerk te denken.

Ik zal niet zeggen dat wie niet of nog niet bij de kerk hoort ook niet bij Jezus kan horen. Maar in deze uitspraak en eigenlijk in heel het evangelieverhaal van Matteüs dat we deze tijd volgen zien we Jezus bezig mensen bij elkaar te brengen. Wie bij Jezus wil horen moet in de kerk meedoen. Ja, doen. Jezus zegt niet: wie niet ingeschreven staat bij de kerk. Het is veel actiever: wie niet met mij bijeenbrengt. Actief zijn in het samenkomen en samenbrengen van de gemeente. In kerkdiensten, evangelisatie, kringen, catechisatie en allerlei andere activiteiten. Samenbréngen, elkaar er in stimuleren. Als je zo niet samenbindend bezig bent, dan gebeurt het tegenovergestelde, dan laat je de gemeente uit elkaar vallen, dan verstrooi je. Dan werk je er aan mee dat je zelf en andere gemeenteleden vervreemden van elkaar en van Christus. Ik noemde ook het uitdragen van het evangelie: niet met de rug naar de wereld toestaan, maar juist omdat het goede nieuws van Jezus de redding is voor iedereen als je het maar wilt aanvaarden, juist daarom doet Jezus een appel op ons om hart voor de wereld te hebben.

Wij leven in een tijd waarin we veel verschillen in de gemeente merken. We denken verschillend over bijvoorbeeld vrouwelijke ambtsdragers. We verschillen in geloofsbeleving, sommigen van ons verlangen meer geraakt te worden in de kerk en anderen kunnen dat maar moeilijk meevoelen. Ons doen en laten is verschillend, bijvoorbeeld in hoe we de zondag besteden. Maar je hoeft het niet altijd ééns te zijn om toch één te zijn, één in Christus. Als je bij elkaar erkent vóór Christus te zijn, hem te erkennen en te aanvaarden. Dat brengt ons geestelijk bijeen. Met Christus brengen we dan bijeen, formeren we een gemeenschap.

Amen

De liturgie:

Morgenochtend lezen we verder: Matteüs 12:31-37